De spinazie van Embla

Deel 1

Vorige week maandag zat ik welig te tieren in de tuin van mijn goede vriendin Embla Ploeterbloot. Embla was met vakantie naar het Groene Rif en ik had aangeboden haar spinazie te wateren. Het is prettig toeven in de kas van Embla. 220 vierkante meter spinazie en een paar bekerplanten. Totale stilte. Dat is even leuk, maar na een kwartiertje besloot ik toch maar een cd’tje op te zetten. Wat zou spinazie nu prettige muziek vinden? Ik bladerde wat door de map met illegaal gebrande spiegelplaatjes van Embla. Veel meuk. Belinda Carlisle, Volumia, Bon Jovi en Kane. Stuk voor stuk bewijzen van een getormenteerde, behoeftige jeugd. Gelukkig werd Embla de laatste jaren door een aantal vriendinnen muzikaal gezonder gevoed. Kijk aan, een topper uit het wat ruigere genre: Nice Guy Eddie. Maar dat zou de spinazie vast en zeker niet bekoren. Nog even verder bladeren. Toen vond ik een juweeltje van een geheel andere orde. Eén van de grote inspirators van een hele generatie: Wesley Willis. Zijn vertolking van de Duran Duran-hit Girls on Film is ongeëvenaard. De retestrakke gitaren van begeleidingsband The Fiasco onderstrepen de recht-naar-het-hart-en-door-de-ziel rock ’n roll van deze door demonen geplaagde ziener. Helaas overleed Willis enige jaren geleden op 40-jarige leeftijd aan leukemie. Ik had het anderen meer gegund. De spinazie leek groener na een half uurtje van zijn muziek.

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Ik voelde me enigszins cryotisch die dag. De zondag daarvoor was nogal chaotisch verlopen en de nacht was niet lang genoeg geweest om de gebeurtenissen van die dag voldoende te verwerken. Tijd is zeer intolerant. Met name tegenover mensen met een trage inborst. Spinazie heeft zich daar bij neergelegd. Zij heeft haar levensloop en ontwikkeling aangepast. Nooit zal zij ontsnappen aan het ritme van de seizoenen. Zij heeft daar ook geen reden toe. De mens ziet dit anders. Ik zelf ben zelden aan de maandag toe na een weekendje doorhalen. En ook zonder door te halen is de maandag een vervelende onderbrekeing van het relatief aangename weekeinde. Ik heb er een broertje dood aan.

Na een uurtje of twee tussen het Popeyegroen had ik het wel weer gehad. Er bekroop mij een jagend gevoel. Een onweerstaanbare drang om een nieuwe sekte te beginnen. Misschien zat er zelfs wel subsidie in van de overheid. Je weet maar nooit met het huidige kabinet. Het liefst willen zij blasfemie zwaar gaan bestraffen. Dan is subsidie voor een nieuwe idiotie meer dan gerechtvaardigd, me dunkt. Ik zat te denken aan een duotheistische stroming. Een mannnetje en een vrouwtje. Dan kun je tenminste nog eens lachen door hun verschillende interpretatie van het fenomeen ‘ratio’. Mijn God, welk een teringbende zou het worden in de wereld met een echtpaar als opermachtige, wrakende goden. Net zoiets als nu waarschijnlijk, maar dan valt er vast meer te lachen. Enfin, die behoefte ebde al snel weg en toen bleef slechts de neiging tot rampzalige (maar ook bewonderenswaardige) hoeveelheden drank naarbinnen te werken over. Ik opende de ventilatieramen van de kas, sproeide wat DDT en vervoegde mij op straat. Café Dondermelk zat een paar blokken verderop. Het was een graad of drie, maar de zon had nog maar weinig van haar zomerse kracht verloren. Een korte wandeling zou me goed doen.

[reclame: n.b. lees de folder van Blokker of IKEA]

De korte wandeling had me goed gedaan. De beslommeringen van de zondag waren zo goed als verwerkt en ik kon het allemaal weer aardig relativeren. Hoewel een licht schuldgevoel ongheroepelijk bleef hangen. Ook niet zo vreemd, gezien hetgeen zich had voorgedaan. Dondermelk had nog maar net zijn deur geopend (de zijingang was al jaren niet meer in gebruik in verband met de epidemie van een aantal jaren daarvoor). Een handjevol gasten zat rustig van zijn drankjes te genieten. “Tjo!” begroette ik de goegemeente. Een knik hier en daar was de respons. “Een Wedman triple en een jonge er naast alsjeblieft”. Een tor kroop over de toog. Zo’n mooi glimmende zwarte die je buiten de stad nogal eens op straat en in het gras aantreft bij mooi weer. Wat deed dat beestje daar? En waar was het naar op weg? Het torretje leek nogal vastbesloten daar het met vaste tred langs de rand van de toog van mij af bewoog tot mijn ogen ‘m niet meer konden ontwaren als gevolg van de karige verlichting.

Iedere keer als ik mij in Café Dondermelk bevind, voel ik een licht weemoedige heimwee naar mijn tijd als piraat in de Caraïben. Hoewel ik nooit daadwerkelijk piraat ben geweest, en zeker niet in de Caraïben (Verder dan Schiermonnikoog kwam ik niet). Hoe wonderlijk, het menselijk brein. Een donkerblonde, versgetapte Wedman triple werd mijn kant op geschoven, vergezeld door een jonge graanjenever. Wat een topkroeg is het toch.

Deel 2

Het werd drukker in Dondermelk. Bij de eerste slok van mijn derde Wedman voelde ik plotsklaps een scherpe pijn in mijn nek. Alles werd zwart. Wie had kunnen voorspellen dat dit op dat moment zou gebeuren? Ik bleek overleden.

Mijn uitvaart was een sobere. Een handjevol vrienden, bekenden en een enkele ter aarde bestellingstoerist. Er werd gelukkig niet gehuild. Dat zou ik slecht hebben getrokken. En daarbij was het ook weer niet zo’n grote ramp dat mijn einde was gekomen. Ik was al vrij oud en van enig nut tot de maatschappij kon ik mezelf niet beschuldigen. Hoewel, ik droeg aardig wat accijnzen af.

Vastbesloten een flink rel te veroorzaken, mocht ik voor de poorten van de hemel belanden, werd ik linea recta de hel in gebonjourd. Gelukkig. Ik houd niet van harpmuziek. Ook blote kleuterachtigen met vleugels (verantwoordelijk voor de harpmuziek) zijn niet mijn kopje thee. Het was toch een beetje jammer dat ik onze schepper niet eens flink de waarheid had kunnen zeggen.

Ik was meteen aan de beurt bij het loket van Beëlzebup. “Niet erg druk hè?”, begon ik, om het ijs te breken. De demoon antwoorde niet. Hij bladerde door mijn file en leek zijn baan zeer serieus te nemen. Toe ik vroeg of ik ook iets te drinken kon bekomen, keek hij ietwat geërgerd op. “Ken je plaats”, zoemde hij. Merkwaardig. Ik had een bulderende stem verwacht. Dit leek meer op een uit de kluiten gewassen mug. zoëentje die mij in de late zomer menig slapeloze nacht heeft bezorgd. Ik besloot mijn plaats te kennen en ging zitten aan een tafeltje rechts van het loket. Er lag een klein menukaartje. Ik ving aan deze te betrachten. “Briljant! Ze hebben hier Wedman Trippel!”, exclameerde ik. Subiet stond er een kleine faun met een dienblad met daarop een keurig getapte Wedman naast me. “Meneer..”, mompelde het creatuur terwijl hij het glas onder mijn neus zette. “Dank”, deed ik hem verstaan en nam een flinke teug. Superieure kwaliteit.

Beëlzebup was na de vierde Wedman klaar met het bestuderen van mijn file. Hij wenkte mij zijn kant op. “Nou nou, het is me toch wat. Het ene moment zit je in je stamkroeg aan een biertje en het andere sta je hier in de lobby van de hel”, zoemde Beëlzebup. “Ach, het kan verkeren”, diende ik hem van repliek. “Er gebeuren ergere dingen op zee. Bovendien doet het me deugd dat het me hier vooralsnog niet doet voorkomen als de Oud Testamentaire hel uit het boek der boeken. Of gaat u me nu met een ‘wacht nog maar eens af’ om de oren slaan?”. Bup begon te lachen. “Neen mijnheer. Niets van dat alles. Wij zijn wel opgevoed en moeten niets hebben van zulks. Aan de fabelelen uit die boeken van boven hebben wij een broertje dood. Edoch, laten wij het papierwerk afronden alvorens over kleine runderen en hun gebroed te converseren. Voor de draad ermee, wat is de oorzaak van uw verscheiden? Een Wedmannetje te veel? Of deed de rikketik niet meer waarvoor het ooit werd aangesteld? Vertel het mij broeder.” Welk een vriendelijke pik had ik mee van doen. Ik had me toch echt iets anders voorgesteld bij het gegeven hel.

Na het papierwerk te hebben doorgenomen, dronk ik nog een Wedmannetje en vervolgens wees Beëlzebup mij de weg naar de metro die mij naar mijn nieuwe onderkomen zou vervoeren. Het was niet bijster druk in de metro. Een stuk of acht lotgenoten stond te wachten. Ik nam afscheid van Beëlzebup en drukte hem op het hart me eens te komen opzoeken voor een hapje en een drankje. Hij zei dat hij dat zeker zou gaan doen. Maar je weet hoe die dingen gaan. Waarschijnlijk zou het er niet van komen. Daar kwam reeds de metro. Ik stapte in en nam plaats naast een goedgemutste jonge dame. Zij was zeer welriekend en een lelijke groene legging omspande haar welgevormde dijen. Al die bieren waren mij niet in mijn koude kleren gaan zitten en binnen afzienbare tijd viel ik in slaap.

Einde deel 2